DE_Geschiedenis van Nederland

De 80-jarige oorlog
In de 80-jarige oorlog speelde het veroveren van steden een belangrijke rol. De opstandelingen nestelden zich vooral in de steden van Holland en Zeeland. Het viel de Spanjaarden moeilijk om deze steden aan zich te onderwerpen. Toch slaagden zij er in de eerste jaren in om een aantal belangrijke plaatsen te veroveren. Om zich goed te kunnen verdedigen, werd door de opstandelingen hard gewerkt aan het moderniseren van de Middeleeuwse verdedigingswerken. Hiertoe werden vooral de langgerekte delen van de oude muren afgebroken, en vervangen door aarden wallen. Zo was men beter beschermd tegen vijandelijk vuur. De vesting werd rond van vorm, en voorzien van bastions die op gelijke afstand van elkaar over de stadswallen werden verspreid. Zo ontstond de kenmerkende vestingster. Tot laat in de 17e eeuw bouwde men daarbij de zijkanten van de bastions zo, dat ze een rechte hoek met de stadswal maakten. Omdat men in relatief korte tijd veel vestingen wilde moderniseren, volstond men meestal met één enkele verdedigingslinie. Deze wijze van vestingbouw wordt vaak aangeduid als het "Oud-Nederlands stelsel".
 
Sommige steden, zoals Den Bosch, gingen zo vaak over in andere handen, dat al snel duidelijk werd, dat de bestaande verdedigingswerken niet voldeden. In dat geval bouwde men extra bolwerken langs de vesting op de meest bedreigde plaatsen. Die kregen mooie namen mee als "hoornwerken" en "halve manen", al naar gelang de vorm. Niet zelden bleven van de Middeleeuwse muren alleen de stadsoorten staan, die soms konden worden opgenomen in het nieuwe verdedigingswerk. Ook de grote steden in de Nederlanden werden op deze wijze verdedigd. Vrijwel overal zijn daar, in verband met de groei van de steden in de 19e eeuw, de oude vestingwerken afgebroken.

De tijd van koning-stadhouder Willem III
Na de vrede van Munster met Spanje in 1648 kwam er een tijd van relatieve rust en vrede in de Nederlanden. De zeeoorlogen met Engeland leidde er wel toe dat sommige havensteden en marineplaatsen werden

voorzien van vestingwerken. Plaatsen die voorheen van weinig strategisch belang waren, zoals Hellevoetsluis en Willemstad, werden van groter belang. In 1672 brak oorlog uit met het Frankrijk van koning Lodewijk XIV, de "zonnekoning". Deze overliep in snel tempo de zuidelijke en oostelijke delen van de Nederlanden. Stadhouder Willem III kon de Franse legers tot staan brengen achter de zogenaamde "Hollandse Waterlinie". Deze liep voor Amsterdam langs naar het zuiden en dekte Holland af. De stelling was gebaseerd op het onder water zetten van grote delen van de polders. De krijgskansen keerden en Willem III heroverde stukje bij beetje de bezette gebieden. Overal waar hij kwam werden de vestingwerken gemoderniseerd. Naarden, in 1672 door Lodewijk XIV bezet, werd al in 1673 heroverd. Onmiddelijk werd begonnen met de sloop van de oude verdedigingswerken en werd volgens de principes van het "Nieuw-Nederlands stelsel" een geheel nieuw werk aangelegd. Hierbij waren de bastions groter en onregelmatiger van vorm, werden ravelijnen aangelegd als extra verdedigingsmiddel en werd op veel plekken een dubbele verdedigingslinie aangelegd.
 
Veel van de Nederlandse vestingwerken zijn in de jaren tussen 1672 en 1713, waarin de oorlog met Frankrijk met tussenpozen voortduurde, aangelegd. Maastricht gold als onneembaar, maar werd door de Fransen in 1673 in dertien dagen ingenomen. Dit was het werk van de beroemde vestingbouwer Francois Vauban. Zijn Nederlandse tegenhanger, Menno van Coehoorn, was verantwoordelijk voor de modernisering en verdediging van steden als Bergen op Zoom, Hulst, Grave, Hellevoetsluis en Brielle. Het is niet toevallig dat al deze plaatsen vooral de zuidgrens verdedigden.

De pruikentijd, Napoleon en de Nieuwe Hollandse Waterlinie
Staatkundig en politiek beschouwd was de periode tussen 1720 en 1790 er een van grote rust, of, zo men wel zei, gezapigheid. Door geschiedschrijvers is deze tijd wel afgedaan als "Jan Salie-tijd", of "pruikentijd". Schijn kan bedriegen. Er waren enkele kleinere oorlogen, die voor sommige vestingsteden verstrekkende gevolgen hadden. Zo werd Bergen op Zoom, het pronkstuk van Menno van Coehoorn, in 1747 met opmerkelijk gemak door een Frans leger ingenomen. Brielle, Hellevoetsluis en Willemstad waren alle tijdens de oorlog van 1747 en de Vierde Engelse Oorlog (1780 - 1785) gemobiliseerd. Honderden stukken geschut op de wallen van de kleine stadjes! Tegen het eind van de 18e eeuw ontstond opnieuw een oorlogsdreiging met Frankrijk, waar revolutie was uitgebroken. Stadhouder Willem V gokte op een verdediging van de Nederlanden langs de grote rivieren, en in deze periode werd gewerkt aan verbetering van vestingwerken in bijvoorbeeld Zaltbommel en Gorinchem.

Het mocht niet baten; Franse legers trokken in 1795 de bevroren rivieren over, en Nederland zou tot 1813 in de Franse invloedsfeer blijven. Gedurende de Napoleontische oorlogen werden vestingen steeds minder belangrijk. De legers werden groter, het geschut werd beter, en de oorlogvoering richtte zich vooral op het uitvechten van grote veldslagen. Toch waren de vestingsteden in de Nederlanden nagenoeg allemaal van een garnizoen voorzien. Bij de intocht van de geallieerden in 1813 boden sommige vestingen in Franse handen, zoals Naarden, nog lang weerstand. In het geval van Bergen op Zoom werd de stad pas in 1814 na een bloedige bestorming door Engelse en Nederlandse troepen ingenomen.
 
De eerste koning van Nederland, Willem I, besloot voor de verdediging van zijn rijk terug te grijpen op de Hollandse Waterlinie. Hij liet een stelsel van verdedigingswerken aanleggen langs de grens van de provincie Holland, waarbij grote hoeveelheden land beschikbaar moesten blijven voor innudatie in geval van oorlog. De andere provincies zouden dan worden opgegeven. In dit verdedigingsstelsel speelden steden - met uitzondering van Utrecht - geen grote rol van betekenis meer. De linie werd vooral gevormd door losse forten. Dit hing samen met de verbetering van het geschut. De reikwijdte van kanonnen was zo groot geworden, dat vestingwerken de vijand niet meer buiten hielden. Dat moest op grotere afstand van de stad al gaan gebeuren.
 
Voltooiing Vestingstelsel
Het doek voor de vestingwerken uit de 16e, 17e en 18e eeuw viel definitief met de
'wet tot regeling en voltooiing van het vestingstelsel uit 1874'. De afbraak van veel
oude vestingwerken rondom steden was toen in veel gevallen al volop aan de gang. Deze afbraakwoede werd vaak veroorzaakt door de groei van de steden en het verkeer, ze waren letterlijk 'een sta in de weg' geworden. Dat is de reden dat de vestingwerken vooral behouden zijn gebleven in relatief kleine steden, die in de 19e eeuw geen grote groei doormaakten.