DE_Vestingbouw

Ontwikkelingen in Italië
Italiaanse politieke en bouwkundige ontwikkelingen drukten sterk hun stempel op de eerste vorm van de Nederlandse vestingbouw. De Italianen moesten hun stadsverdediging aanpassen toen aan het eind van de 15e eeuw voor het eerst het kanon als aanvalswapen werd ingezet. Zij verlaagden hun muren en braken hun torens af. Hierdoor kon het horizontaal schietende kanon nu niet alleen als aanvalswapen, maar ook als verdedigingwapen worden gebruikt. Wiskundige berekeningen, die rekening hielden met het schootsveld van de artillerie, bepaalden de nieuwe vorm van de stad: de karakteristieke stervorm.
 
Oud-Nederlands stelsel
Toen in het begin van de Tachtigjarige Oorlog de Lage Landen onder Spaans vuur kwamen te liggen, werden in korte tijd naar Italiaans voorbeeld wallen opgetrokken rond de strategisch gelegen steden. Mede door tijd- en geldgebrek werd er vooral gebruik gemaakt van het natuurlijke ingrediënt "aarde". De bastions werden zo aangelegd, dat de zijkanten een loodrechte hoek maakten met de stadsmuur. Op zwakke plaatsen bouwde men extra bolwerken; die kregen al naar gelang de vorm mooie namen als "hoornwerken" en "halve manen". Niet zelden bleven van de middeleeuwse muren alleen de stadspoorten staan, die soms konden worden opgenomen in het nieuwe verdedigingswerk. Omdat men in een kort tijdsbestek veel vestingen wilde moderniseren, volstond men meestal met één enkele verdedigingslinie.

Binnen de verdedigingsgordel was sprake van een ideaal stratenpatroon. Binnen het Oud-Nederlands stelsel werden straten aangelegd volgens het radiaalplan: directe verbindingen met de bastions gaven een goed overzicht en maakten snelle verplaatsing van troepen mogelijk. Verder moesten de steden zelfvoorzienend zijn. Daarom vind je in veel vestingsteden ook molens en stadsboerderijen terug. Ook de beplanting van de wallen vormde een belangrijk onderdeel van de vestingtheorie. Deze zorgde voor een camouflage van de versterkingen en voorzag in geval van een belegering voor een flinke voorraad vers hout. Het afgraven van de wallen en het graven van tunnels onder de wallen door, werd bemoeilijkt door de vele dikke wortels. Bovendien vormden bij afkap de boomstronken automatisch voor een extra hindernis.

Hoewel eenvoudiger dan de Italiaanse vestingwerken, slaagde het Nederlandse ontwerp er toch goed in om de vijand op afstand te houden. Toen de Spaanse troepen op grote schaal het kanon als aanvalswapen inzetten, bleken de aarden wallen prima in staat om de zware, ijzeren kogels op te vangen: het zand smoorde zelfs de meest zware projectielen.

Simon Stevin (1548-1620), een Vlaamse wis- en vestingbouwkundige, legde in zijn boek "Stercktenbouwingh", dat in 1594 in Leiden werd uitgegeven, de theorie van deze Oud-Nederlandse vestingbouw vast. Aan de universiteit van Leiden doceerde hij de grondbeginselen van de Nederlandse variant van de vestingbouw.

Adriaen Antonisz (1529-1609) speelde tijdens de Tachtigjarige Oorlog een belangrijke rol bij de praktische uitvoering van het Oud-Nederlands stelsel. Onder zijn verantwoordelijkheid werden de verdedigingswerken van vrijwel alle Nederlandse steden gemoderniseerd.

Nieuw-Nederlands stelsel
Het Nieuw-Nederlands stelsel kwam in de 17e eeuw tot ontwikkeling. Aanleiding waren de oorlogsactiviteiten van "de Franse Zonnekoning" Lodewijk XIV. Deze veroverde in de tweede helft van de 17e eeuw met verbazingwekkend gemak een groot deel van het Nederlands grondgebied. Stadhouder Willem III wist de Franse legers uiteindelijk staande te houden met behulp van de Hollandse Waterlinie. Grote stukken land werden onder water gezet. Hoewel de Fransen Naarden wel te pakken wisten te krijgen, bleef Amsterdam in handen van de Hollanders. Willem III heroverde de bezette gebieden stukje bij beetje. Overal waar hij kwam, werden de vestingwerken gemoderniseerd.

Aanvallers bleken het steeds vaker gemunt te hebben op de "zwakste schakels" van de vestingen: de bastions. Een veroverd bastion betekende het verlies van de vesting. En met voortdurend effectiever wapentuig werd het steeds eenvoudiger om een vesting tot val te brengen. Daarom werd er in deze periode hard gewerkt aan het versterken van de bastions en aan het aanpassen van de mathematische vorm van de vestingen, zodat de bastions beter beschermd waren.

Menno van Coehoorn (1641-1704) legde in zijn boek "Nieuwe vestingbouw op een natte of lage horizont" (1685) zijn ideeën en theorieën over de vestingbouwkunde volgens het Nieuw-Nederlands stelsel vast. Menno van Coehoorn was onder meer verantwoordelijk voor de modernisering van steden als Bergen op Zoom, Hulst, Grave, Hellevoetsluis en Brielle.
Bij de vestingbouw volgens het Nieuw-Nederlands stelsel staat de hoek van het bastion niet meer loodrecht op de stadsmuur. Er is een soort inkeping aangebracht, waardoor een zogenaamd "oor" aan het bastion ontstaat. Bovendien werd in deze periode vaak gebruik gemaakt van meerdere verdedigingslinies achter elkaar, om een stad heen. Daarbij speelde het gebruik van ravelijns, bastions midden in het water gelegen, een belangrijke rol.