Ravenstein / Megen



Geschiedenis Ravenstein

Grens
Ooit vormde de Maas over een afstand van vele kilometers, de natuurlijke grens tussen het hertogdom Brabant en het hertogdom Gelre. Deze lagen ten zuiden en ten noorden van de rivier. Het boterde alleen niet zo tussen de door het water gescheiden buren. De machthebbers creëerden daarom langs de rivier een sterke grens in de vorm van versterkte plaatsen. Door deze nederzettingen werd tevens de handel en transport beveiligd. Hierdoor groeiden deze plaatsen, waaronder ook Ravenstein, uit tot vestingsteden met een veelzijdig doel.

Walraven
Als stichtingsjaar van Ravenstein wordt 1360 genoemd. De toenmalige leenman, Walraven van Valkenburg woonde toen op zijn kasteel te Herpen. Dit was echter maar van korte duur, want hij liet zijn kasteel verplaatsen naar een nieuwe locatie aan de rivier (het huidige Ravenstein). Hij hoopte zo de tolheffing op de Maas, waarmee hij in 1355 mee was begonnen, beter te kunnen controleren. Zijn leenheer, de hertog van Brabant, was verbolgen over het zonder zijn toestemming heffen van tol en het verplaatsen van het kasteel. Om Walraven tot de orde te roepen over diens handelswijze, trok de hertog in 1364 met een legertje op naar het nieuwgebouwde slot. Het beleg haalde echter niets uit.

Vrede
In 1364 werd vrede gesloten tussen beiden. De hertog moest genoegen nemen met het feit dat de tolheffing doorging en dat de leenman "(Wal)raven" zijn "Stein" mocht behouden. De leenman had het pleit in zijn voordeel beslecht ten koste van zijn leenheer. Met deze merkwaardige gang van zaken werd in datzelfde jaar de strategische waarde van de plaats van het kasteel bewezen en een eerste stap gezet naar de vorming van de vesting.

Ravenstein ingenomen
Rondom het kasteel groeide een nederzetting die reeds in 1380 van Reinout van Valkenburg, de opvolger van Walraven, stadsrechten verwierf. Deze Reinout maakte het echter met zijn rooftochten wat al te bont en de bisschop van Luik sloeg daarop in 1387 met 1200 ruiters en 4000 boogschutters een beleg rond de jonge vesting. Echter zonder resultaat, kasteel en stad bleven overeind. In 1396 werd echter zijn opvolger als heer van Ravenstein in de slag bij de Kleverham door de hertog van Kleef verslagen en gevangen genomen. Ravenstein kwam onder Duits gezag.

Ontmanteling Ravenstein
In 1522 werd de stad Ravenstein van nieuwe wallen, muren, poorten en bastions voorzien. Twee poorten getuigen hier nog van. Echter in 1543 krijgt de Spaanse vorst Karel V gezag over Gelre, dat intussen eveneens tot het hertogdom Kleef behoorde. Karel V dicteerde dat de vesting Ravenstein ontmanteld moest worden en dat gebeurde, met uitzondering van de stadspoorten en het kasteel.

Geldlening bij Staten van Holland
In 1609 komt er een einde aan de heerschappij van het Huis Kleef over Ravenstein. De stad komt onder het gezag van de Paltzgraven, o.a. onder de keurvorst van Brandenburg. Diens zoon, verwikkeld in de 30-jarige oorlog, gaat een geldlening aan bij de Staten van Holland. Als tegenprestatie wordt geëist dat de Staten het recht krijgen in de stad Ravenstein een Staatsgarnizoen te mogen legeren. Deze moest een tegenwicht tegen de Spaanse troepen vormen. Het garnizoen kwam en men bouwde voor de gezinnen hiervan een garnizoenskerk, de inmiddels fraai gerestaureerde Nederlands Hervormde Kerk. Met een onderbreking van 1630 tot 1635 bleven de Staatse militairen in Ravenstein gelegerd. De vestingwerken werden in die tijd gerestaureerd en de stad werd omringd met een gracht.

Geschiedenis Megen

Vanaf 2000 voor Christus is het gebied rond de Maas bewoond geweest. De Kelten (geen Germanen) vestigden zich op de zandkoppen en oeverwallen, in de buurt van de vruchtbare rivierklei. Ook de Romeinen hebben een tijdje in Megen en omliggende dorpen gehuisd.
De plaatsnaam 'Megen' is waarschijnlijk afgeleid va het Romaanse woord "Magus", wat veld, plaats of stad betekent. Het zou echter ook van het woord Magos kunnen komen, wat 'doorwaadbare plaats' betekent.

Megen was de 'Hoofdstad' van het Graafschap Megen en werd voor het eerst genoemd in 721 NC ('Meginus'). Rond 800 NC bestond Megen uit 44 huizen, waarvan 2 kastelen en een klooster. Er woonden ongeveer 390 mensen.
Bij het Graafschap hoorden Haren, Macharen en Teeffelen. Het Graafschap werd voor het eerst vermeld in 1145 in een geschrift over de eerste Graaf van Megen, Graaf Allardus. Megen kreeg rond 1357 stadsrechten en er werd een stevige burcht gebouwd. In 1810 besliste Napoleon dat Megen, Haren en Macharen één gemeente moest worden. De gemeente Megen c.a. (cum annexis; 'wat er bij hoort') was geboren. In 1814 werd Frankrijk verdreven. Het graafschap Megen hield op met zelfstandig te bestaan en werd een deel van het Koninkrijk der Nederlanden.

Jacob van Deventer, wonende in Mechelen, kreeg in 1558 van Philips de opdracht alle Nederlandse vestingsteden in kaart te brengen. Het stratenplan zoals Jacob dat heeft vastgelegd, is behouden gebleven inclusief de smalle steegjes (op één na) om soldaten snel de gelegenheid te geven ter verdediging van het stadje van dijk naar dijk te gaan.