Hulst



Geschiedenis Hulst

Beginjaren Hulst
Door het ontbreken van schriftelijke bronnen is er over de vroegste geschiedenis van Hulst weinig bekend. De naam Hulst komt voor het eerst voor in documenten uit de 9e eeuw na Christus. In de kronieken uit die tijd en op een kaart van Vredius (861) komt de naam "Hulstum" voor het eerst voor. De volgende betrouwbare melding stamt uit 892, toen de Duitse Keizer Otto III "Castrum Hulst" aan de bisschop van Utrecht schonk.
In het jaar 1012 wordt Boudewijn IV, graaf van Vlaanderen, leenman van het huidige Oost-Zeeuwsch-Vlaanderen in dienst van de Duitse keizer Hendrik II, zodat de streek dan tot het Duitse Rijk behoort. Het werd daarom ook wel Rijksvlaanderen genoemd. Het was in deze tijd een schrale streek, met veel zandgrond (dekzandrug "Twentse formatie"). Dit veranderde toen er vanuit het zuidwesten gebieden werden ingepolderd door particulieren en abdijen. De grond die op deze wijze verkregen werd, was zeer vruchtbare kleigrond. Later zou het gebied rond Hulst gaan behoren tot "De Vier Ambachten" (Hulst, Axel, Assenede en Bouchoute), een rijke Vlaamse landstreek.
 

Stadsrechten Hulst
Een andere belangrijke economische activiteit was de lakennijverheid. In de 14e eeuw krijgt Hulst het octrooi op het uitoefenen van de lakenweverij. Waarschijnlijk werd dit octrooi verleend omdat er reeds toen vlasteelt plaatsvond in de streek rond Hulst. Ook de grondstof wol was in grote hoeveelheden voorhanden omdat op de schorren rond Saeftinghe kuddes schapen werden gehouden. Ten behoeve van de lakennijverheid werd in onze streek mede verbouwd. Uit de wortels van deze plant won men een rode kleurstof die gebruikt werd in de lakenweverijen om het laken te kleuren.

Ook de handel was in Hulst belangrijk. Hulst bezat het stapelrecht voor alle in het Hulster Ambacht en het Waasland verbouwde granen. Deze granen werden op maandag verhandeld. Dit is tevens de oorsprong nog steeds bestaande weekmarkt op maandag. Ook de handel in wijn, bier, laken, zout en mede was belangrijk. In 1350 heeft Hulst ook toestemming van de graaf van Vlaanderen gekregen om tweemaal per jaar een jaarmarkt te houden. Deze jaarmarkten duurden elk zes dagen. De 3e en de 4e dag werd er gehandeld, de rest van de dagen waren voor het vermaak en de kermis.

Vanaf de 12e eeuw nam de betekenis van de landbouw door de inpoldering van land, snel toe. In en rond Hulst lagen verschillende boerderijen. De voornaamste producten die verbouwd werden waren tarwe, rogge, gerst, mede en vlas. In de nieuwe polders werd veel koolzaad verbouwd. Dit zorgde voor veel werkgelegenheid en een voortdurende bevolkingsaanwas. Naast de landbouw was ook de veeteelt belangrijk. Op de schorren werden schapen gehouden.

Politiek-Militair 1200-1460
In de 13e, 14 en 15e eeuw raakte Hulst, of het nou wilde of niet, betrokken bij allerlei conflicten tussen de Vlaamse graven, de machtige stad Gent en de diverse leenheren van Vlaanderen (de Franse koning en de Duitse keizer).

Talloze oorlogen spoelden over de streek heen, waarin Hulst nog relatief vaak gespaard bleef. In de oorlogshandelingen werd regelmatig het instrument van inundatie ingezet door de Scheldedijken door te steken om aanvallen of juist uitbraken van opgesloten legers te voorkomen. Diverse malen werd de stad veroverd en heroverd op de Gentenaren. Uiteindelijk keerde de rust eind 14e eeuw iets terug.

Hulst had wel enorm geleden onder de bezetting van de stad en streek door de Gentenaars en men besefte dat het noodzakelijk was om de stad te ommuren om een herhaling van de Gentse bezetting te voorkomen. In 1413 kreeg Hulst toestemming van de nieuwe Vlaamse graaf (Jan zonder Vrees) om de stad te versterken, maar voorlopig ontbrak het Hulst door de wederopbouw echter aan geld om de versterkingen aan te brengen. Hulst had dus nog geen noemenswaardige verdedigingswerken opgetrokken rond de stad, toen zich midden 15e eeuw opnieuw donkere oorlogswolken samenpakten boven het Vlaamse land.

Opnieuw kreeg de graaf van Vlaanderen het aan de stok met de Gentenaren. Diverse malen probeerden de Gentenaren Hulst in te nemen, maar pas in 1452 na enkele mislukte pogingen trok een Gentse leger Hulst binnen. Het hele Hulsterse garnizoen werd uitgemoord, de stad werd in brand gestoken en totaal verwoest.

De Hulstenaars gingen niet bij de pakken neerzitten. Reeds drie jaar later, in 1455 hadden ze hun stad compleet herbouwd. Het nieuwe stadshuis was toen één van de mooiste in heel Vlaanderen.

Pas na de ramp in 1452 werd er definitief besloten geld vrij te maken voor de bouw van een vesting. Met de bouw hiervan werd in 1460 begonnen. Het grootste probleem waren de enorme kosten. Er werden grote sommen geld geleend. In 1471 was de vesting afgebouwd, en dat was maar goed ook want opnieuw traden er spanningen op tussen de Vlaamse graaf (Keizer Maximiliaan van Oostenrijk) en de stad Gent.

Twintig jaar lang weerstond het relatief kleine Hulst alle aanvallen van de grote stad Gent. Uiteindelijk lukte het de Gentenaren in 1491 Hulst bij verrassing in te nemen. Het hele Duitse garnizoen sneuvelde en heel de stad werd leeggeroofd. De vreugde bij de Gentenaren was van korte duur, want nog in hetzelfde jaar heroverden de troepen van Maximiliaan Hulst.

De Gentse bevolking was ondertussen oorlogsmoe geworden. In 1492 werd de Vrede van Cadzand gesloten. Op 5 augustus moesten de trotse Gentenaars in Hulst een "voetval" maken om vergiffenis te vragen voor alle ellende die ze in Hulst hadden aangericht. Als dank voor de trouw van Hulst verleende keizer Maximiliaan Hulst toestemming om de titel "keizerlijke stad" te dragen. Sinds die tijd staat op het stadhuis van Hulst de dubbele Oostenrijkse adelaar en wordt het Hulsterse stadswapen bedekt door een keizerskroon.

16e eeuw
De 16e eeuw begon rustig. De tijden van oorlogen, verwoesting en onderdrukking leken voorbij te zijn. Het stadsbestuur probeerde de economie te stimuleren door de havenfaciliteiten aan te pakken. Tijdens de Vlaamse oorlogen was namelijk gebleken dat de haven een zwakke plek was in de Hulsterse verdediging. Het stadsbestuur besloot de toegang tot de haven te beveiligen door middel van een dubbele poort, één voor de schepen en één voor het landverkeer. Ook het tijdens de Vlaamse oorlogen verwoeste stadshuis werd herbouwd in de periode 1528-1547. Door al deze bedrijvigheid begon de Hulsterse economie weer beter te draaien ondanks het feit dat Hulst en het Hulster ambacht werden geteisterd door stormvloeden (1530-1531) en de gevreesde ziekte de pest.

In 1572 was het echter gedaan met de handel via de haven omdat de Tachtigjarige oorlog uitbrak. Vlissingen koos de kant van de Staatsen en de watergeuzen controleerden de Schelde. Tot overmaat van ramp slibde het kanaal van de Schelde naar Hulst langzaamaan dicht. Doordat de haven was geblokkeerd, ging het slecht met één van de belangrijkste takken van de Hulsterse economie, de zoutwining. Tot overmaat van ramp waren er in de jaren 1584 en 1585 grote overstromingen.

Ter voorbereiding werd de vesting van Hulst in gereedheid gebracht. In januari 1578 werd Hulst bezet door ruiters van "De Calvinistische republiek Gent", waarmee voor Hulst de eigenlijke strijd aanving. Hulst werd in de daaropvolgende 73 jaar het toneel van een felle strijd om de controle over de Schelde. Tussen 1578 en 1609 werd Hulst verschillende malen door de Staatsen en de Spanjaarden belegerd en al dan niet veroverd.

Om de stad te kunnen verdedigen begonnen rond 1600 de Spanjaarden met de bouw van de vestingswallen, zoals deze er nu nog bij liggen. Beroemde ingenieurs als le Poivre, de Vinario, J. de Cock, de bebroeders Aisne en J. de Buck werkten de plannen uit. De vesting werd rijk voorzien van geschut, munitie en buskruit.
 

Na de betrekkelijk rustige periode van het Twaalfjarig bestand(1609-1621) begon de strijd opnieuw. De Spanjaarden, die een aanval op Hulst verwachten, breidden de vesting nog verder uit. Tot augustus 1626 bleef het rustig in en om Hulst. Toen brandde een jarenlange strijd los. Pas na een lange belegering gaf Hulst zich uiteindelijk op 4 november 1645 over. Bij de laatste belegering was van het 1300 man sterke garnizoen bijna de helft gesneuveld of gewond. De Staatse verliezen zijn waarschijnlijk nog groter geweest. De Staatsen vuurden tijdens het laatste beleg 13.000 kanonskogels en 500 granaten af op de stad.

Na de definitieve verovering van Hulst door Frederik-Hendrik (1645) hoorde Hulst bij de Republiek en lag het in de zogenaamde Generaliteitslanden. Dit waren gebieden die rechtstreeks werden bestuurd vanuit Den Haag. Dit had rampzalige gevolgen voor de economie. Hulst was na de Tachtigjarige oorlog bankroet en kreeg bovendien geen geld uit Den Haag. De haven was verzand en de handel liep hierdoor enorm terug.

18e eeuw
Pas in het begin van de 18e eeuw kwam er een kleine economische opleving doordat de overheid de oprichting van brouwerijen bevorderde. Het stadsbestuur van na 1645 had echter niet meer de visie van het bestuur van voor 1645. Nieuwe industrieën werden niet langer, zoals voor 1645, gestimuleerd. Men durfde niet langer risico's te nemen. Er werd geïnvesteerd in "veilige" projecten zoals inpoldering van land en de oprichting van brouwerijen (gunstig vanwege de accijnzen).

In 1701 brak opnieuw oorlog uit, ditmaal tegen Frankrijk en Spanje. De Republiek kreeg steun van Engeland en Duitsland. De vesting Hulst was door de beroemde vestingbouwer Menno van Coehoorn in een uitstekende staat van verdediging gebracht. Door deze uitstekende staat lukte het de Fransen niet Hulst te veroveren.

Na deze oorlogshandelingen bleef het 36 jaar rustig in en rond Hulst. Toen was het weer raak. In 1747, tijdens de Oostenrijkse successieoorlog, viel Hulst in Franse handen door het stuntelige en arrogante optreden van de garnizoenscommandant. De Fransen zouden blijven tot 1749.

In 1784, na een lange periode van rust, ontstonden er weer moeilijkheden tussen de Republiek en Joseph II van Oostenrijk. Het kwam in en rond Hulst niet tot gevechten. Wel ontstonden in en rond Hulst steeds meer spanningen tussen de Oranjegezinden en de Patriotten.

Op 23 oktober 1794 werd Hulst zonder slag of stoot ingenomen door de Franse revolutionaire legers. De Franse tijd was aangebroken. Dit zou duren tot 1814.

19e eeuw
Nadat Napoleon bij Waterloo verslagen was, kwamen de overwinnaars in 1815 bij elkaar op het Congres van wenen. Om oorlog in de toekomst te voorkomen moest Frankrijk worden omringt met sterke staten. De overwinnaars besloten het huidige Nederland en het huidige België samen te voegen tot één land. Dit tot groot ongenoegen van de Belgen. In 1830 kwamen ze tegen Willem I in opstand. Op 21 oktober 1830 werd Hulst bezet door een groep opstandelingen onder leiding van Grégoire. De katholieke meerderheid van de bevolking juichte deze gebeurtenis toe. Ook toen al voelde men zich betutteld en achtergesteld door het (Protestantse) bestuur uit het verre Middelburg en Den Haag. Men wilde liever bij België horen, omdat dan de historische banden met het Vlaamse achterland hersteld zouden kunnen worden. Het mocht echter niet zo zijn. Op 11 januari 1831 trokken Nederlandse troepen Hulst binnen. Tijdens de 10-daagse veldtocht (2-12 augustus 1831) probeerde het garnizoen van Hulst het Belgische dorpje De Klinge te veroveren, maar dit mislukte. De Belgische opstandelingen onder leiding van Rodenbach hebben daarna nog een plan opgesteld om Hulst te veroveren, maar men kreeg hiervoor geen steun van de andere leiders van de Belgische opstandelingen. Hulst bleef van toen af aan Nederlands.

Sindsdien is het rustig in Hulst en hebben de Vestingwerken van Hulst geen echte functie meer. Er gaan een aantal keer stemmen op om de wallen te slopen ten behoeve van de broodnodige uitbreiding van de stad, maar gelukkig stranden deze pogingen. Wel werd er ten behoeve van het toenemende verkeer (inclusief de tram) aan de zuidzijde een coupure in de Vestingswallen gemaakt.

Eind 20e en begin 21e eeuw zijn de vestingswerken intensief gerestaureerd, zodat ze nu weer in hun volle glorie te bewonderen zijn.

In 1180 kreeg Hulst vrijstelling van de betaling van tol in Vlaanderen. De vrijstelling werd verleend door graaf Philips van Elzas. Deze vrijstelling was belangrijk voor de economische ontwikkeling van Hulst. De ligging van de stad Hulst uit handelsoogpunt was zeer gunstig. Hulst lag aan een bruikbaar vaarwater, de Saxhaven, waarlangs scheepvaartverbindingen met Vlaanderen, Zeeland, Holland en Brabant onderhouden konden worden. De belangrijkste Hulsterse handelstakken in de middeleeuwen waren: de zoutwinning, de lakennijverheid, de meekrapverwerking, de handel, de landbouw en in mindere mate de ambachten. De belangrijkste economische activiteit in de Middeleeuwen was de zoutwinning. Het zout werd gewonnen uit de as van turf die gestoken werd in de moerassen (vroeger moeren genoemd) van Saeftinghe die eeuwenlang door de zee overspoeld waren. Rond Hulst bevonden zich zo'n 90 zoutpannen. Hiermee was hulst tot de 15e eeuw één van de belangrijkste zoutsteden van Vlaanderen. Dit kon men zien aan het feit dat de belangrijkste zoutmaat in deze tijd de zogenaamde "Hulsterse zak" was. Pas in de 15e eeuw werd de zoutwinning aan banden gelegd, omdat men door schande en schade had ervaren dat de dijken door deze activiteit ondermijnd werden met alle gevolgen van dien. Later begon men ook goedkoop grof zout uit Frankrijk en Spanje te importeren wat hier geraffineerd werd.